Slalom skiën is het logische vervolg op klassiek skiën.

De skiër wordt met een iets hogere snelheid voortgetrokken dan bij klassiek waterskiën. Aan een snelheid van ongeveer 45 km/u staat men dan op één waterski.

De bindingen op de waterski zijn achter elkaar geplaatst.

Als de skiër rechtshandig is moet het linkerbeen van voor staan en het rechterbeen moet dan in de achterste binding staan.

Het voorste been is het “stand”-been en het achterste been wordt gebruikt om te sturen.

 

Het slalom skiën is iets moeilijker onder de knie te krijgen dan het klassiek skiën.

Geoefend kan er worden door op 2 ski’s te skiën en dan voorzichtig en langzaam 1 been uit het water te lichten.
Als het lukt om op 1 ski te blijven “staan” dan kan de rechterski uitgeschopt worden en kan de rechtervoet in de achterste binding van de linkerski gestoken worden.



In wedstrijdverband wordt het slalom skiën beoefend door met een boot  tussen 2 rijen boeien door te varen en de skiër moet dan omheen die boeien skiën.

De moeilijkheidsgraad wordt verhoogd door de skilijn steeds korter te maken en de snelheid op te drijven.